Aansprakelijkheid

Burgerlijk wetboek

In het Burgerlijk Wetboek is in artikel 6:162 lid 1 opgenomen dat iemand die ten opzichte van een ander toerekenbaar een onrechtmatige daad pleegt, verplicht is de schade die daaruit is ontstaan te vergoeden. Onder een onrechtmatige daad wordt verstaan een handelen of nalaten dat:

  • Inbreuk maakt op een ander recht of;
  • In strijd is met een wettelijke plicht of;
  • Indruist tegen de zorgvuldigheid welke in het maatschappelijk verkeert betaamt.

Voor vrijwilligers geldt de volgende maatstaf voor aansprakelijkheid:

De vrijwilliger handelt toerekenbaar onrechtmatig indien hij niet de zorg betracht die een gemiddeld oplettend, voorzichtig en bekwaam vrijwilliger in vergelijkbare omstandigheden zou hebben betracht. En dusdoende niet zorgvuldig handelt met het op oog op de kenbare belangen van derden die hij behoorde te ontzien (Citaat uit Vrijwilligerswerk en Aansprakelijkheidsrisico’s, door M. van Ardenne, W. van Boom en J. Wansink).

Dit geldt natuurlijk ook voor vrijwilligersorganisaties. Mensen die schade leiden door toedoen van de organisatie, bijvoorbeeld omdat de organisatie niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van een redelijk handelende organisatie mag worden verwacht, kunnen de organisatie hiervoor aansprakelijk stellen. Daarnaast kan de organisatie aansprakelijk worden gesteld voor schade die door personen en goederen worden veroorzaakt die onder hun verantwoordelijkheid vallen. Dit noemen we kwalitatieve aansprakelijkheid oftewel risicoaansprakelijkheid.

Wie is aansprakelijk als de vrijwilliger schade veroorzaakt?

Bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden kan een vrijwilliger al dan niet opzettelijk schade toebrengen aan een derde of aan de organisatie waar hij werkzaam is. Een ongeluk zit immers in een klein hoekje. Bij het opzettelijk toebrengen van schade, zoals stelen van materiaal, is en blijft de vrijwilliger zelf aansprakelijk. Maar ook als de schade niet opzettelijk wordt toegebracht, kan de vrijwilliger als particulier aansprakelijk zijn. Of de vrijwilliger of de organisatie aansprakelijk is voor de schade zal per situatie moeten worden bekeken. In principe geldt dat ook de organisatie aansprakelijk kan worden gesteld als de vrijwilliger in opdracht of onder regie van de organisatie werk verricht. Daarvoor moet de relatie tussen vrijwilliger en organisatie op drie elementen zijn ingevuld:

  • Het organisatorisch verband
  • Het onverplicht karakter
  • Het onbetaalde karakter

Naar mate deze 3 elementen zwaarder zijn ingevuld, zullen ook de rechten en plichten voor de organisatie en vrijwilliger omvangrijker zijn. Als het vrijwilligerswerk zo strak is georganiseerd dat de relatie tussen vrijwilliger en organisatie veel overeenkomsten vertoont met de kenmerken van een echte arbeidsovereenkomst dan zal de organisatie eerder aansprakelijk zijn dan de vrijwilliger. Maar het tegenovergestelde komt natuurlijk ook voor. Bijvoorbeeld vrijwilligerswerk dat juist zo los-vast is geregeld dat de grens tussen vrijwilligerswerk en privésfeer haast niet te trekken is. Om te voorkomen dat vrijwilligers vanwege mogelijke risico’s afhaken, is het verstandig om de rechtsverhouding tussen de organisatie en de vrijwilliger duidelijk vast te leggen. Door op papier te zetten welke werkzaamheden de vrijwilliger verricht en dat het verplicht is om instructies en aanwijzingen van de organisatie op te volgen, beperkt de organisatie de aansprakelijkheidsrisico’s van de vrijwilliger. Dit sluit aan bij de overeenkomst in opdracht zoals staat omschreven in artikel 7:400 BW.

Verkeerd advies

Als de organisatie vrijwilligers inzet bij uitvoeren van contractuele verplichtingen naar cliënten toe, dan gelden de fouten van de vrijwilliger als de fouten van de organisatie zelf (artikel 6:74 jo 76 BW). Een organisatie kan zich niet verschuilen achter de mededeling dat de fout door de vrijwilliger is gepleegd en niet door de organisatie zelf. Het contractueel uitsluiten van aansprakelijkheid mag maar is allesbehalve waterdicht. Aangezien de derde persoon bij vrijwilligerswerk vaak een particulier is, zal de organisatie aan moeten tonen dat het uitsluiten van aansprakelijkheid niet onredelijk bezwarend is of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Wel is de vrijwilliger zelf aansprakelijk als hij iets doet waarvan hij weet, of had moeten weten, dat hij daar niet bekwaam in is en niet voor is opgeleid. Als de vrijwilliger dan toch ingaat op de hulpvraag, handelt de vrijwilliger in strijd met de zorgvuldigheid die van een bekwaam vrijwilliger mag worden verwacht.

Tip! Leg in een protocol vast over welke onderwerpen vrijwilligers wel of niet mogen adviseren, laat dit protocol door de vrijwilliger ondertekenen en voeg het toe als aanvulling op de vrijwilligersovereenkomst. Hiermee is de organisatie slechts aansprakelijk voor de adviezen die in het kader van de functie worden verstrekt, maar niet aansprakelijk voor de adviezen die een vrijwilliger buiten haar functie om verstrekt. Daarbij is het verstandig om als organisatie aan derden duidelijk te maken dat er met vrijwilligers wordt gewerkt, en wat er wel of niet van de vrijwilliger kan worden verwacht.

Met de auto

Als een vrijwilliger bij het uitvoeren van haar activiteiten haar auto gebruikt en schade aan een ander veroorzaakt, zal eerst de WAM- verzekering (Wettelijke Aansprakelijkheid Motorrijtuigen) van de vrijwilliger worden aangesproken. Daarbij maakt het niet uit of de persoon op dat moment als vrijwilliger actief was. Iedere bezitter van een motorrijtuig is namelijk wettelijk verplicht om zich te verzekeren voor aansprakelijkheidsrisico’s ten aanzien van het motorrijtuig. Is het motorrijtuig van de organisatie en maakt de vrijwilliger daar gebruik van dan zal de WAM-verzekering van de organisatie worden aangesproken, als er schade is ontstaan. Ook de bestuurder is namelijk gedekt met deze verzekering. Maar let op: als de vrijwilliger door een eigen fout schade lijdt, keert de WAM niets uit. Als vrijwilligers vaak met de (eigen) auto op pad zijn, kan het voordelig zijn om een apart polis Bijzondere voorwaarden Schadeverzekering af te sluiten.

Vrijwilliger heeft zelf schade

Bij het uitvoeren van activiteiten voor een organisatie kan de vrijwilliger zelf ook schade oplopen. De vrijwilligersorganisatie is aansprakelijk als de organisatie de zorgplicht op basis van artikel 6:162 lid 1 BW of de zorgplicht in het kader van artikel 7:658 BW heeft geschonden. Ook vrijwilligersorganisaties zijn immers verantwoordelijk en aansprakelijk voor veilige en gezonde werkomstandigheden voor hun medewerkers. Wat deze zorgplicht precies inhoudt, is per situatie verschillend en zal o.a. afhangen van het soort werk dat wordt verricht, welke risico’s daaraan verbonden zijn en wat er van de (on)ervaren medewerker mag worden verwacht. In de factsheet veilige arbeidsomstandigheden kunt u meer hierover lezen. Maar wat nu als de vrijwilliger zelf schuld heeft aan de schade? Als de vrijwilliger geen bijzondere regeling met de vrijwilligersorganisatie heeft getroffen, is de vrijwilligersorganisatie waarschijnlijk niet verplicht de schade te vergoeden.

Onroerende zaken, opstal en dieren

Daarnaast is de organisatie risico-aansprakelijk voor de (on)roerende zaken, opstal en dieren die hij bezit. Een onroerende zaak is bijvoorbeeld de grond, een opstal is bijvoorbeeld een gebouw en of bestandsdelen van een gebouw zoals dakpannen en een roerende zaak is bijvoorbeeld een ladder. In artikel 6:173 BW  e.v. staat vermeld dat een bezitter van een gebrekkige (on)roerende zaak, opstal en dier in beginsel aansprakelijk is voor de schade die door deze zaak, opstal of dier ontstaat. De term bezitter staat voor degene die een zaak, opstal of dier voor zichzelf houdt. Het gaat dus bijvoorbeeld niet om een zaak die van een ander is geleend of gehuurd. Gebruikt de huurder de (on)roerende zaak voor zijn bedrijfsuitoefening dan kan de aansprakelijkheid ook bij hem als gebruiker van de zaak rusten. Dit tenzij de zaak een opstal is en de oorzaak van de schade niet met de bedrijfsvoering van de gebruiker in verband staat (zie artikel 6:181 BW) . Van gebrekkig is sprake als de zaak of opstal niet voldoet aan de eigenschappen (veiligheid en gebruik) die men daarvan redelijkerwijs mag verwachten waardoor het een (bijzonder) gevaar oplevert en schade veroorzaakt.

Bestuurdersaansprakelijkheid

Voor bestuurders van een rechtspersoon (bijvoorbeeld stichting of vereniging) gelden er bijzondere aansprakelijkheidsbepalingen. In principe is een rechtspersoon zelf aansprakelijk voor zijn schulden maar dit verandert als er sprake is van onbehoorlijk bestuur. Als een bestuurder zijn taak niet behoorlijk heeft vervuld en hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt, kan de bestuurder jegens de organisatie op grond van artikel 2:9 BW  aansprakelijk zijn voor de schade die het gevolg is van dit verwijtbare onbehoorlijke bestuur. Volgens de rechtspraak is van een ernstig verwijt bijvoorbeeld sprake als een bestuurder (financiële) verplichtingen namens de rechtspersoon aanging in de wetenschap dat de rechtspersoon deze hoogstwaarschijnlijk niet zou kunnen nakomen. Ook het niet- naleven van statutaire bestuursverplichtingen die de rechtspersoon beschermen, kan een ernstig verwijt opleveren. Hiervoor kan de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld wat betekent dat zij zelf de schulden van de organisatie moet voldoen. Daarnaast staat in artikel 2:9 BW vermeld dat ook collega-bestuurders aansprakelijk kunnen worden gesteld als zij verwijtbaar en nalatig zijn geweest in het treffen van maatregelen. Een duidelijke taakverdeling tussen de bestuursleden kan het aansprakelijkheidsrisico ten aanzien van collega-bestuurders aanzienlijk verminderen. Maak dus altijd een duidelijke taakverdeling en leg deze ook op schrift vast. Naast het feit dat het voor de organisatie zinvol is om een analyse te maken van mogelijke aansprakelijkheidsrisico’s, is het ook slim om dat als aankomend bestuurslid te doen. Denk daarbij ook aan de mogelijkheid om een voorziening te treffen voor de kosten van juridische bijstand. Immers, ook als je niet verwijtbaar bent, kun je aansprakelijk worden gesteld. Overigens worden bij de beoordeling wel alle omstandigheden betrokken die een rol hebben gespeeld. Maar de bewijslast daarvan ligt bij de bestuurder zelf.

Naast onbehoorlijk bestuur kan een bestuurder ook persoonlijk aansprakelijk zijn als een vereniging niet als rechtspersoon is ingeschreven in de registers van de Kamer van Koophandel en/ of de statuten niet in notariële akte zijn vastgelegd, zie artikel 2:30 BW .

In de voorbeelden van onbehoorlijk bestuur kunt u meer lezen over onbehoorlijk bestuur en aansprakelijkheid en mogelijke actiepunten. U kunt ook de checklist aansprakelijkheid bestuurders van non-profitorganisaties raadplegen.

Vijf adviezen aan vrijwilligersorganisaties

Mogelijke aansprakelijkheidsrisico’s betekent nog niet dat mensen ook daadwerkelijk aansprakelijk worden gesteld en aansprakelijk zijn. Uiteindelijk zal de rechter bepalen of iemand ook werkelijk aansprakelijk is. Om de risico’s tot het minimum te beperken, is het goed om een aantal zaken vooraf te regelen:

1. Verdiep je in de risico’s
Maak een overzicht van de uitvoerende activiteiten van de organisatie en inventariseer de risico’s die daaraan vast zitten. Beantwoord daarbij de volgende vragen: Wat kan er allemaal misgaan? Wie kan daarbij schade lijden? En wie is daar dan eigenlijk aansprakelijk voor?

2. Verzeker wat nodig is
Inventariseer welke bescherming de organisatie zichzelf en de vrijwilligers kan bieden middels verzekeringen. Welke aansprakelijkheidsverzekering heeft de organisatie? Wat wordt daarmee gedekt? Welke aanvullende verzekeringen moeten worden afgesloten? Meer informatie over verzekeringen kunt u lezen in de factsheet verzekeringen, klik hier.

3. Maak werk van vrijwilligersbeleid
De vrijwilligersorganisatie moet ervoor zorgen dat vrijwilligers voldoende toegerust zijn om hun taak goed uit te kunnen voeren. Welke kwalificaties en vaardigheden hebben vrijwilligers nodig? Welke instructie hebben vrijwilligers nodig? En welke scholing biedt de organisatie? Een goed vrijwilligersbeleid kan aansprakelijkheidskwesties voorkomen en zorgt ervoor dat vrijwilligers gemotiveerd en enthousiast aan de slag gaan met hun werkzaamheden.

4. Leg afspraken schriftelijk vast
Wat is de rechtsverhouding tussen de organisatie en de vrijwilliger? Leg de rechtsverhouding duidelijk op papier vast. Om de aansprakelijkheidsrisico’s van de vrijwilligers zoveel mogelijk te beperken, is het verstandig om zo dicht mogelijk aan te sluiten bij een overeenkomst van opdracht. Voorwaarde daarbij is wel dat schriftelijk wordt vastgelegd wat de vrijwilliger op zich neemt en dat de vrijwilliger verplicht is om instructies en aanwijzingen op te volgen.

5. Zorg voor een goede voorlichting
Wees niet huiverig om de risico’s van het vrijwilligerswerk met de vrijwilligers te bespreken en informeer hen duidelijk over de verzekeringen en de voorwaarden die daaraan verbonden zijn. Door eventuele risico’s een vast onderdeel van het intakegesprek bij nieuwe vrijwilligers te maken en er in de begeleiding af en toe op terug te komen, maak je het onderwerp bespreekbaar.

Meer informatie over deze vijf adviezen vindt u in de notitie Vrijwilligerswerk en aansprakelijkheidsrisico.


 Verdieping

Hier vindt u meer informatie over de achtergrond van aansprakelijkheid.

Jurisprudentie

Hier vindt u enkele uitspraken van de rechtbank over de aansprakelijkheid van vrijwilligers.

Instrumenten

 

Voorbeelden