Criteria definitie vrijwilligersorganisatie

Naast een algemene omschrijving van vrijwilligersorganisaties zijn er een aantal criteria die u kunt toevoegen naar gelang het doel van de definitie. De meest voorkomende criteria staan hieronder toegelicht.

Met de draaischijf Vrijwilligersorganisaties kunt u vervolgens uw keuzemogelijkheden binnen deze criteria in beeld brengen.

1. Verhouding beroepskrachten - vrijwilligers
Een organisatie die in zijn geheel gerund wordt door vrijwilligers zal door iedereen een vrijwilligersorganisatie worden genoemd. Het wordt ingewikkelder als naast vrijwilligers ook betaalde krachten voor de organisatie werkzaam zijn. Of er sprake is van een vrijwilligersorganisatie wordt dan beoordeeld aan de hand van het aantal betaalde krachten in verhouding tot het aantal vrijwilligers en aan de hand van de bijdragen van de betaalde krachten aan het primaire proces van de organisatie. Voor vrijstelling van de vennootschapsbelasting is één van de voorwaarden dat inkomsten voor meer dan 70% door de inzet van vrijwilligers verkregen wordt. In de gemeente Rotterdam daarentegen wordt gesteld dat een vrijwilligersorganisatie een organisatie is waarvan de meerderheid van de activiteiten door vrijwilligers wordt verricht. Uit de voorbeelden komt naar voren dat de verhouding tussen beroepskrachten en vrijwilligers kan variëren van geen tot 50% betaalde krachten. Daarbij is het van belang of deze aan het primaire proces deelnemen.

2. Winst
Organisaties die winst nastreven worden in het algemeen niet beschouwd als vrijwilligersorganisaties. Uitzonderingen hierop zijn organisaties waarvan de totale winst wordt ingezet voor het nastreven van een goed doel. De Belastingdienst hanteert de norm van maximaal € 7500,- per jaar (of € 37.500,- in vijf jaar) voor organisaties die een algemeen nut of belang dienen, geen winstoogmerk hebben en waarvan de activiteiten niet de concurrentieverhoudingen van de commerciële ondernemers verstoren.

3. Eigen vermogensvorming
Naast het winststreven is het vermogen en de vermogensopbouw een criterium dat bepaalt of een organisatie een vrijwilligersorganisatie is. In het bijzonder bij het aanvragen van subsidie of fondswerving is dit criterium belangrijk. Een aantal overheden hanteert hier de regel dat wanneer de organisatie beschikt over een eigen vermogen ter grootte van 10 % van de omzet, de organisatie voor financiering eerst het eigen vermogen moet aanspreken. Buiten het werven van financiële middelen zal het criterium van een eigen vermogen geen rol spelen, buiten het feit dat dit vermogen voor de doelstelling van de organisatie ingezet moet worden.

4. Verhouding algemeen nut – particulier belang
Met ingang van 2010 wordt in de wet onderscheid gemaakt tussen Algemeen Nut Beogende Instellingen (ANBI) en Sociaal Belang Behartigende Instellingen (SBBI). Onder ANBI’s verstaat de wet allerlei  kerkelijke, charitatieve, culturele en wetenschappelijke instellingen die voor meer 90% het algemeen belang dienen. Veel vrijwilligersorganisaties als sportverenigingen, muziekgezelschappen, hobbyclubs en scoutinggroepen worden niet erkend als Algemeen Nut Beogende Instellingen, omdat de werkzaamheden voor het grootste deel in dienst staan van het particuliere belang. De leden betalen contributie en vrijwilligers zijn verantwoordelijk voor de organisatie van activiteiten. De activiteiten komen alleen de leden ten goede in de privésfeer. Deze organisaties krijgen nu de status van Sociaal Belang Behartigende Instellingen. Het voordeel voor organisaties met een SBBI-status is dat deze organisaties geen successierecht hoeven te betalen over schenkingen aan de organisatie.

5. Inhoudelijk werkgebied
Naast eerder genoemde criteria kunnen ook de werkterreinen waarop de organisatie actief is, begrenst zijn. Dit is het geval bij het toekennen van subsidies of waardering binnen bepaalde beleidsterreinen maar ook wanneer sprake is van uitsluiting op basis van bepaalde (extreme) sympathieën.
Een bijzondere positie binnen dit criterium wordt ingenomen door extremistische groeperingen. Het zijn in het algemeen vrijwilligers die vanuit een vermeend algemeen belang activiteiten organiseren die gericht zijn tegen geldende normen en of goede zeden in de maatschappij. Het gebruik van geweld, het beschadigen van eigendommen en choqueren kunnen middelen zijn die door deze groepen gebruikt worden. Buiten het feit dat het vermeende algemene belang slechts op een beperkte groep slaat zijn het voornamelijk de gebruikte methoden die in het algemeen afgekeurd worden. Omdat niet direct sprake hoeft te zijn van eigen belang is binnen dit criterium gekozen voor een aparte categorie voor dit soort groeperingen.

a>6. Bestaansduur
Aansluitend op de basisformulering waarin geen criteria voor de bestaansduur is opgenomen blijkt in de praktijk dat de bestaansduur in een aantal gevallen een belangrijke rol speelt bij de beoordeling van een vrijwilligersorganisatie. Een organisatie moet een minimaal aantal jaren bestaan om erkenning te krijgen.

7. Organisatiegraad
In de geldende wet in Nederland wordt onderscheid gemaakt tussen volledig rechtsbevoegde organisaties en beperkte rechtsbevoegde organisaties. Volledig rechtsbevoegde organisaties zijn organisaties die zijn vastgesteld door middel van een notariële akte en zijn ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel. Niet volledig rechtsbevoegde organisaties zijn of niet ingeschreven in het register van de KvK en/of hebben geen notariële akte.
Het gevolg van een beperkt, rechtsbevoegde organisatie is dat de bestuursleden persoonlijk aansprakelijk gesteld kunnen worden voor geleden schade van de organisatie. Binnen een aantal gemeenten is de rechtsbevoegdheid van een organisatie van belang boven een bepaald subsidiebedrag en binnen specifieke subsidies. Beperkte rechtsbevoegde organisaties komen alleen in aanmerking voor waarderingssubsidies, maar niet voor instellingssubsidies (structurele subsidies) en projectsubsidies.

8. Kwaliteitseisen
Er kan pas van een vrijwilligersorganisatie gesproken worden als deze desgevraagd in staat is verantwoording af te leggen over de uitgevoerde activiteiten en de besteding van verkregen middelen.