In het voorjaar van 2026 brachten de vijf brancheorganisaties ervaringen van 233 organisaties met de ANBI-status in kaart. De Kamerbrief Stand van zaken verbetermogelijkheden ANBI-regeling van 1 juni 2026 bracht in dit dossier al meer duidelijkheid en rust. Met de onderzoeksuitkomsten in de hand zijn wij medio augustus hierover met het ministerie van Financiën en de Belastingdienst in gesprek gegaan.
Meeste organisaties kunnen uit de voeten met de regeling
Bijna tweederde van de respondenten geeft aan geen problemen te ervaren bij de naleving van de ANBI-criteria. Ook de ervaringen met toetsing door de Belastingdienst zijn overwegend positief: veel organisaties ervaren de toetsing als zorgvuldig en professioneel en waarderen de mogelijkheid om eventuele tekortkomingen te herstellen.
Tegelijkertijd wordt de regelgeving als complex en soms onduidelijk ervaren. Met name veranderende interpretaties kunnen onzekerheid veroorzaken. Voor fondsen is die voorspelbaarheid belangrijk: besluiten over vermogen, financiering en ondersteuning van maatschappelijke organisaties hebben vaak een lange looptijd.
Steun aan niet-ANBI’s belangrijk aandachtspunt
Steun aan organisaties zonder ANBI-status wordt relatief vaak als knelpunt genoemd. Van de respondenten die hierover een vraag kregen, ervaart 35% dit als een knelpunt. Wat opvalt is dat dit knelpunt zich voordoet in binnen- en buitenland, terwijl aanvankelijk werd verwacht dat dit voornamelijk internationale samenwerking zou betreffen. Ook in Nederland worden er initiatieven en maatschappelijke projecten zonder ANBI-status door organisaties gesteund die van groot belang zijn voor de samenleving. Steun aan een niet-ANBI in het buitenland maakt samenwerking met buitenlandse partners voor maatschappelijke organisaties lastig en ligt niet in lijn met ‘trust-based philanthropy’.
Stamvermogen en reserves vragen om passende kaders
Een tweede belangrijk thema voor de respondenten betreft stamvermogen en het aanhouden van reserves. Van de respondenten die vragen over stamvermogen kregen, noemt 42% dit een knelpunt. Bij het aanhouden van reserves is dat 34%.
Voor verschillende maatschappelijke organisaties sluiten de huidige regels rondom vermogen en reserves niet altijd aan bij de praktijk. Vermogen kan voor verschillende ANBI’s nodig zijn om inkomsten voor de lange termijn te genereren en zo continuïteit en maatschappelijke slagkracht te waarborgen. Respondenten ervaren onder meer onduidelijkheid over de omvang en de samenstelling van het stamvermogen, de mogelijkheid om het vermogen voor inflatie te corrigeren en de verhouding tussen stamvermogen, reserves en het bestedingscriterium.
Ook bij grote schenkingen of nalatenschappen kan spanning ontstaan. Een fonds wil middelen zorgvuldig en effectief inzetten, bijvoorbeeld door een maatschappelijke organisatie gedurende vijf jaar te ondersteunen in plaats van een groot bedrag in één keer uit te keren. De ANBI-regels kunnen echter druk geven om middelen sneller te besteden. Respondenten vragen daarom om duidelijke kaders én voldoende ruimte voor een verantwoorde, langjarige besteding van vermogen.
Behoefte aan praktische ondersteuning en voorlichting
Het onderzoek geeft ook een duidelijke boodschap mee aan de brancheverenigingen. Organisaties willen tijdig geïnformeerd worden over veranderingen in de ANBI-regelgeving, maar hebben daarnaast behoefte aan praktische duiding. Respondenten noemen onder meer voorbeeldcasussen, kennissessies, FAQ’s, checklists en toegang tot fiscale expertise.
Brancheverenigingen blijven knelpunten agenderen
De hoofdboodschap van het onderzoek is niet dat het ANBI-stelsel ter discussie staat. De ANBI-status heeft voor maatschappelijke organisaties een grote waarde. Wel moet het stelsel voldoende blijven aansluiten bij de manier waarop de sector zich ontwikkelt.
Voor aangesloten koepels staan daarbij vier uitgangspunten centraal: duidelijkheid, eenvoud, proportionaliteit en vertrouwen. Maatschappelijke organisaties moeten weten waar zij aan toe zijn, regels moeten ruimte bieden voor verschillende typen organisaties en financieringsvormen, en toezicht moet effectief zijn zonder waardevol maatschappelijk handelen onnodig te belemmeren.